De werknemer eiste een vergoeding voor de vermogensrechten op zijn uitvinding. De werknemer verwees hiervoor naar de internationale patentaanvraag, ingediend door de brouwerij en gepubliceerd op 1 december 2005, waarin hij samen met 2 collega’s werd aangeduid als uitvinder. Hij hield voor dat zijn medewerking aan deze uitvinding niet kaderde in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, zodat ze niet als dienstuitvinding kon worden gekwalificeerd. Tevens bracht de werknemer naar voor dat hij op het ogenblik van de aanvraag van het patent werkzaam was op de juridische dienst en dat zijn taak dan ook niet meer bestond in onderzoek en ontwikkeling.
Het arbeidshof volgde de stelling van de werknemer niet als zou hij slechts een afhankelijke uitvinding hebben gedaan, omdat zijn functie in het juridisch departement volledig los zou staan van de uitwerking van het octrooi. De uitvinding van het nieuwe filteringproces kaderde immers volledig in zijn opeenvolgende contractuele opdrachten. De rechtsleer aanvaardt dat omwille van de arbeidsovereenkomst de werkgever eigenaar wordt van een dienstuitvinding, omdat de uitvinding niets anders is dan het product van de bedongen arbeid van de werknemer, waardoor deze in beginsel geen aanspraak kan maken op een bijzondere vergoeding voor het doen van de uitvinding. Hij werd immers geacht voor deze taken te zijn vergoed door het overeengekomen loon.
Overigens had de werknemer destijds een verklaring ondertekend. Het was duidelijk dat deze verklaring betrekking had op de overdracht van de octrooiaanvraag. Het feit dat de laatste werkgever deze verklaring niet had getekend vond het arbeidshof irrelevant, daar ook een eenzijdige wilsuiting bron van verbintenissen kan zijn; evenmin kon de werknemer zich beroepen op gekwalificeerde benadeling, daar bij een dienstuitvinding het loon de tegenprestatie uitmaakt voor de gepresteerde arbeid en tot vergoeding van zijn bijdrage tot de uitvinding strekte.
Commentaar: Om het vermogensrecht van de uitvinding te bepalen, maakt men onderscheid tussen drie soorten uitvindingen:
- dienstuitvindingen: tijdens de uitvoering van een arbeidsovereenkomst en in opdracht van een werkgever;
- afhankelijke uitvindingen: tijdens de uitvoering van een arbeidsovereenkomst, doch de uitvinding behoorde niet specifiek tot de opdracht van de werknemer;
- vrije uitvinding: deze uitvindingen worden gedaan zonder specifiek verband met de arbeidsovereenkomst. In casu kon er geen twijfel bestaan over het vermogensrecht van de uitvingen daar het filteringproces was uitgevonden in dienstverband en in opdracht van zijn werkgever.
Arbeidshof Brussel, 14 januari2011, A.R. 2009/AB/52741
frederique.vermaete@astrealaw.be